Op een goede morgen gaan we op stap om meneer M. te zoeken. Hij is verstandelijk beperkt en leeft op straat. Hij is veel onderweg en het is altijd een hele klus hem te vinden.

We zoeken eerst op het enorme parkeerterrein van een winkelcentrum, dan in het centrum zelf en tenslotte in de omgeving: droefgeestige viaducten, overblijfselen van kampeerplekken, oude winkelkarretjes vol afval. Maar geen spoor van meneer M.

© P-Y Jortay

We zijn teleurgesteld. Weer een paar uur voor niets. En een beetje bezorgd want we hebben hem al twee weken niet meer gezien.

OK, maar voordat we opgeven, lopen we nog eens het winkelcentrum af om er zeker van te zijn dat we niets hebben gemist.

Niets.

We lopen langs een Libanese snackbar, gespecialiseerd in kip. Dat brengt mijn collega, die weet wat meneer M. graag eet, op een idee. Hij vraagt de uitbater:

  • “Een Afrikaanse man, die zich wat bizar gedraagt en hier regelmatig langs komt, zegt u dat iets?”
  • “Zeker, die ken ik”
  • “En hij komt naar u toe?”
  • “Als ik hem voorbij zie komen, roep ik hem en geef hem iets te eten”

Doodeenvoudig, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Of misschien is het dat wel en ben ik maar een verstokte cynicus.

“Ik roep hem en geef hem iets te eten”: sommige mensen hebben blijkbaar iets voor anderen over zonder iets van hen te weten, zonder dat iemand erom vraagt, zonder officiële erkenning, zonder logo of vermelding…

Na deze prettige kennismaking lopen we door - met die merkwaardige gloed in ons binnenste, het gevoel dat we niet alleen staan. De morgen was niet voor niets geweest.

Het was niet de eerste keer, en niet de laatste, dat we dit konden vaststellen: de winkeliers verrassen ons vaak met hun tolerantie ten aanzien van personen waarvan de hygiëne op het randje is. Steeds blijven ze vrijgevig en tactvol welwillend.

Ze zijn bijzonder waardevolle partners – trouwe beschermengelen voor sommige van onze patiënten.

- Pierre Ryckmans, medisch coördinator

Zin om meer te weten over ons werk op straat ?