Ik wil graag het verhaal delen van een oudere man die al tien jaar op straat leeft en die we al lange tijd opvolgen.
We ontmoeten hem in het station waar hij meestal verblijft. Hij zit op de grond, op een stuk karton. Wanneer hij ons ziet toekomen, biedt hij ons een stuk karton aan zodat we kunnen gaan zitten zonder vuil te worden.
We vragen hem hoe het met hem gaat, hoe zijn dag verlopen is. Hij vertelt ons over de plaatsen in het station die worden schoongemaakt en de plekken die men altijd overslaat — details die hij als geen ander kent. Hij weet perfect waar hij zijn spullen kan neerleggen, waar hij gestoord wordt en waar hij kan uitrusten.
Wanneer we het willen hebben over zijn afspraak die we vorige week samen hebben voorbereid, kijkt hij verlegen weg en fluistert: “Zonder jullie durf ik niet naar de afspraak te gaan, omdat ik mij geen burger voel.”
Die zin komt hard binnen. We blijven enkele seconden stil. Het drukt zowel zijn schroom uit als de afstand die hij voelt tegenover de rest van de wereld. Alsof hij zichzelf niet langer herkent in deze samenleving waarvan hij nochtans deel uitmaakt. In ons jargon noemen we dat auto-exclusie: het sluipende mechanisme waarbij iemand, na lang aan de kant te zijn geschoven, uiteindelijk gelooft dat hij nergens meer thuishoort.
Het is niet langer alleen de samenleving die de persoon afwijst: hij begint zichzelf ook af te wijzen.
En alsof die woorden nog niet volstaan, komt er een onderhoudsmedewerker aan die op scherpe toon vraagt of meneer wil opschuiven, omdat hij voor een deur zit die bestemd is voor het verwijderen van vuilnis.
Hij bekijkt ons met een beschuldigende blik. Alsof we hier niet thuishoren.
Wat volgt is gespannen. Het voelt onrechtvaardig. Meneer protesteert niet. Hij blijft rustig. Als alles voorbij is zegt hij zachtjes: “Sorry dat jullie dit moesten meemaken.”
Onze harten krimpen samen. Het is niet aan hem om zich te excuseren. We maken hem duidelijk dat wat hij zojuist moest ondergaan en wat hij elke dag moet verdragen, net is wat we spijtig vinden. Want iedereen kijkt weg.
Alsof het universum het vermoeden van meneer bevestigt. Een paar minuten geleden vertelde hij ons dat hij zich niet langer burger voelt. Meteen daarna wordt hem nog eens duidelijk gemaakt dat hij er niet meer bijhoort. Alsof vernedering even vanzelfsprekend is geworden als de kou, het lawaai en het slaapgebrek.
Opnieuw is het pijnlijk duidelijk hoe de samenleving neerkijkt op mensen zonder onderdak. Een blik die hen soms uitwist, herleidt tot een last, tot een ongewenste aanwezigheid. Nochtans zijn deze mensen volwaardige burgers, met hun verhaal, hun kracht en hun menselijkheid.
Waardige personen in een mensonwaardige situatie.
— Marie, verpleegkundige bij het straatteam