Mevrouw T zit op de trap van een Brussels metrostation. Zoals gewoonlijk draagt ze een hoofddoek en een bloemetjesjurk. Als we haar uitnodigen, gaat ze met ons mee, soms met een brede glimlach op haar gladde en vermoeide gezicht, om even uit haar dagelijkse routine te komen, ver van het verkeerslawaai en de voorbijgangers die zonder pardon langs haar scheren.

We gaan vandaag koffie drinken; ze vertelt ons dat ze weer van moment tot moment, van dag tot dag, leeft, zonder te weten hoe het verder met haar moet.

Ze klinkt kalm; ze stelt gewoon vast.

Maar kort geleden heeft ze een woning bezocht waar ze aan het eind van de maand kan intrekken. We frissen haar geheugen op. Een woning, wat een ongelofelijk project! Zo ongelofelijk dat ze er maar moeilijk in kan geloven.

Ze zoekt gebreken. “Het is er te klein.” Ze vreest dat ze het er benauwd zal vinden. Binnen vier muren kan ze zich eindelijk veilig voelen. Maar die kunnen ook intimiderend en zelfs verstikkend overkomen op iemand als zij, die lang buiten heeft overleefd, op ongemakkelijke en koude traptreden…

Ergens niet in willen geloven uit angst dat het toch weer misgaat: we zien dat vaak bij onze patiënten.

Niet te veel hopen en niets vertrouwen – om later niet te diep te vallen.

In de loop van het gesprek wil mevrouw T toch wel even dromen over wat ze daar zou kunnen doen, in die woning alleen voor haar. Koken? Haar ogen lichten op. Pasta, haar lievelingsgerecht, met een mooie biefstuk : iets om naar uit te kijken.

En haar kinderen misschien weerzien? Lang geleden vertelde ze ons dat, als ze eindelijk weer een eigen woning had, ze hen wilde uitnodigen om te tonen dat het goed met haar ging.

Maar we mogen niet te hard van stapel lopen. We praten er nu niet over. Sommige mogelijkheden moeten goed worden voorbereid.

Mevrouw T kijkt ons aan en zegt tenslotte, op een verzekerde en realistische toon, die we niet van haar gewend zijn, “Jullie hebben gelijk, je moet blijven hopen”.

Morgen heeft ze die positieve opwelling misschien vergeten en haar hoop weer opgeborgen, opnieuw verstikt door de realiteit van haar straatleven.

Maar wij zullen er zijn om haar keer op keer eraan te herinneren dat ze, na alles wat haar is overkomen, eindelijk weer mag dromen.

 

 

(*) We stellen alles in het werk om de privacy van onze patiënten te beschermen en ons beroepsgeheim te respecteren. Toch willen we getuigen hoe onze patiënten moeten overleven en hoe we samen aan hun re-integratie werken. Daarom zijn namen van personen en plaatsen weggelaten of veranderd en reële situaties in een andere context geplaatst. Er is geen rechtstreeks verband tussen de mensen op de foto’s en het hier bovenstaande verhaal.